Make your own free website on Tripod.com

ICD-Informatiesite
Hartziekten

Home

Waarom krijgt iemand een ICD
Wat is een ICD
De werking van een ICD
Het ontstaan van de ICD
Nieuwe ontwikkelingen in de ICD technologie
Wat is een Pacemaker ?
Techniek in & om de Pacemaker
Een ICD als Levensverzekering
Uitleg omgang apparatuur
De Werking van het Hart
Het Bewustzijn
Reanimatie
De Ademhaling
Automatische Defibrillator
Automatische Defibrillator - Vervolg
Hartziekten
Hartinfarct
Hartklepgebreken
Hartfalen
Aangeboren Hartafwijking
Vaat - aandoeningen
Syndroom van Marfan
Onderzoeksmethoden
Behandelingen
Aanpak Hartfalen
DNA-diagnostiek Cardiomyopathie
Nieuwe operatie technieken
Anesthesie
Stamceltransplantatie
Hartinsufficiëntie
Wachttijden
Hartoperatie's Buitenland
Leven met Hartfalen
Hartritmestoornissen
ECG
EFO - Ablatie
De Fietsproef
Medicijnen
Posttraumatische dystrofie
Reizen met een ICD
Autorijden met een ICD
Procedure - CBR
Bezorgdheid
Angst, Onzekerheid & Tips
Leren omgaan met Angst
Verwerking van schokkende gebeurtenissen
Traumatologie
Hartverwarmende opmerkingen
Te Hoog Cholesterol
Te Hoge Bloeddruk
Hypertensie
Hartrevalidatie & Lichamelijke inspanning
Hart in Beweging - HIB
Mijn interview in de Hartbrug
Interview met Donorwachtende
Interview met een Donor-ontvangster
Lotgenoten
Nieuwsbrief
Agenda
Werkgroepen - Federatie Hartezorg
Aangesloten organisaties van de Federatie Hartezorg
Hart en ICD Centra in Nederland
Herbalife
Gastenboek
Links

 

 

                Hartziekten                   

 

 

 

We kunnen onderscheid maken tussen verworven en aangeboren hart- en vaatziekten. Verworven hart- en vaatziekten ontstaan gedurende het leven. Aangeboren hartafwijking zijn al bij de geboorte aanwezig..

 

Verworven Hartziekten

 

Algemeen

Ziekten van de kransslagaders, zoals angina pectoris en een hartinfarct, zijn vrijwel altijd het gevolg van vernauwing of afsluiting van de kransslagader(s). Dit begint met een kleine beschadiging van de gladde binnenwand van het bloedvat. Het lichaam probeert die beschadiging te herstellen; er klonteren dan bloedplaatjes samen op de beschadigde plaats en witte bloedcellen dringen de vaatwand binnen. Die witte bloedcellen nemen cholesterol op, wat een brijachtige massa geeft waar zich later ook kalk op afzet. Hierdoor worden de kransslagaders steeds nauwer en kan het zuurstofrijke bloed de hartspier moeilijker bereiken. Dit noemen we slagaderverkalking of atherosclerose.

 

Verworven hartziekten:

 

-          Angina Pectoris

-          Hartinfarct

-          Hartklepaandoeningen

-          Ritme- en geleidingsstoornissen

-          Hartfalen

 

Angina pectoris 

 

Bij angina pectoris (hartkramp) krijgt een deel van de hartspier te weinig zuurstof, vrijwel altijd door een vernauwing in een van de kransslagaders. Meestal ontstaat dit gebrek aan zuurstof bij inspanning, dus als het hart harder moet werken en de hartspier meer zuurstof nodig heeft dan het vernauwde bloedvat kan aanvoeren. Angina pectoris is een typische beklemmende, drukkende pijn achter het borstbeen. De pijn straalt vaak uit naar de linkerarm of naar de kaken en soms naar de rug of de schouderbladen. Soms is er pijn in de rechter- in plaats van de linkerarm. In rust en/of na een vaatverwijdend medicijn, zakt de pijn.

 

Hartinfarct 

 

Wanneer een bloedstolsel een kransslagader plotseling helemaal afsluit, ontstaat een hartinfarct of hartaanval. Door die afgesloten kransslagader krijgt het bijbehorende gedeelte van de hartspier geen zuurstof meer en sterft af. Dit geeft hetzelfde gevoel als bij een angina pectoris, vaak ook nog misselijkheid en zweten er bij. Deze pijn gaat niet over in rust en reageert onvoldoende op vaatverwijdende medicijnen.

Het hart krijgt op de plaats van het infarct een litteken, dat op den duur bindweefsel wordt. Het hart blijft wel doorpompen, maar dit deel van de hartspier werkt niet meer mee. De ernst van een hartinfarct hangt af van de grootte van de beschadiging, en van de plaats. De gevolgen van een hartinfarct kunnen daarom nogal verschillen.

 

Hartklepaandoening 

 

Een hartklepaandoening kan ontstaan door bijvoorbeeld een ontsteking. Door zo'n ontsteking kunnen de klepbladen dikker en minder soepel worden. De klepbladen vergroeien met elkaar, waardoor de klep niet meer goed open gaat. Het hart heeft het dan moeilijker dan normaal. Er is meer kracht nodig om bloed door de vernauwing te pompen. Soms zijn de kleppen ingescheurd of slap en uitgerekt, zodat ze niet meer volledig sluiten en er een lek ontstaat.

De meeste klepafwijkingen komen voor in de linkerharthelft. Op den duur kan schade aan het hart ontstaan. Als het hart door de afwijking van de klep te veel moeite krijgt met pompen, kan een hartklepoperatie nodig zijn.

 

Ritme- en geleidingsstoornissen

 

Ritmestoornissen

Er is sprake van een ritmestoornis als het hart te snel of te langzaam samentrekt of als de boezems en kamers niet in de juiste volgorde of onregelmatig samentrekken. Er zijn veel soorten ritmestoornissen; hoe ze ontstaan, hoe je ze moet behandelen en hoe bedreigend ze zijn, loopt erg uiteen. Sommige ritmestoornissen zijn geheel onschuldig, andere levensgevaarlijk. Er moet dus eerst worden vastgesteld wat voor soort ritmestoornis men heeft. Belangrijke vragen zijn :

 

-          Slaat het hart snel of langzaam?

-          Slaat het hart regelmatig of onregelmatig?

-          Heeft men de ritmestoornis voortdurend of bij perioden, in aanvallen?

-          Wordt men duizelig of heeft men de neiging weg te raken tijdens de ritmestoornis?

-          Gaat de ritmestoornis gepaard met kortademigheid of pijn op de borst?

 

Klachten bij een ritmestoornis kunnen zijn: hartkloppingen, hartbonzen, overslaan van het hart, duizeligheid, neiging tot flauwvallen en zelfs bewusteloosheid. Bijkomende klachten zijn: transpireren, een onaangenaam gevoel en misselijkheid tijdens een aanval. Omdat de arts uit deze klachten niet kan opmaken om wat voor soort ritmestoornis het gaat, is het nodig om tijdens de ritmestoornis een hartfilmpje (ECG) te maken.

Bij de ritmestoornissen die volstrekt onschuldig zijn is geen behandeling nodig. Andere kunnen goed worden behandeld met leefregels en medicijnen. Weer andere zijn goed geholpen met bijvoorbeeld een inwendige defibrillator, een ICD.

 

Geleidingsstoornissen

Bij een geleidingsstoornis wordt ergens in het hart het stroomstootje opgehouden. Dit wordt vastgesteld op een hartfilmpje. Er bestaan geleidingsstoornissen op verschillende plaatsen met nogal verschillende gevolgen. Bij een "SA-blok" gaat het stroomstootje niet goed van de sinusknoop naar de boezems. Het gevolg kan zijn dat het hart te langzaam klopt. Een andere geleidingsstoornis is een "AV-blok" of een "bundeltakblok". Dit heeft meestal geen gevolgen voor de hartwerking.

Geleidingsstoornissen ontstaan vaak bij het ouder worden. Toenemende stoornissen kunnen op een onvoorspelbaar moment leiden tot een lange pauze in de hartslag. Als voorzorg kan het aanbrengen van een inwendige pacemaker nodig zijn. Geleidingsstoornissen kunnen ook het gevolg zijn van een acuut hartinfarct, of van een hartoperatie. Zulke geleidingsstoornissen herstellen meestal vanzelf. Soms wordt dan een tijdelijke, uitwendige pacemaker aangebracht, zodat men kan afwachten hoe de aandoening zich ontwikkelt.

 

Hartfalen 

 

Ondanks de manier waarop 't klinkt, betekent hartfalen niet dat het hart er plotseling mee stopt of dat iemand aan het sterven is. Hartfalen is een combinatie van verschijnselen die direct of indirect het gevolg zijn van de verminderde pompwerking van het hart. Als een hartkamer niet goed pompt kan er te veel bloed achterblijven in de bijbehorende boezem van het hart. Daardoor ontstaat ophoping (stuwing) in de bloedvaten die het bloed aanvoeren. Een verminderde pompwerking kan ook betekenen dat de rechter of linker hartkamer minder bloed rondpompt dan het lichaam nodig heeft. Er ontstaat dan een zuurstoftekort in delen van het lichaam. In feite is hartfalen dus geen ziekte, maar een slechte conditie van een vitaal orgaan - het hart.

 

Als de pomp vooral aan de linkerkant van uw hart niet goed werkt, raken de bloedvaten van de longen overvol. Er gaat dan bloedplasma uit de kleine bloedvaten van de longen lekken. Dit vocht hoopt zich op in de longen, waardoor u kortademig wordt en kriebelhoest krijgt. Ook bij zitten en liggen kunt u het benauwd krijgen; misschien slaapt u op meerdere kussens om wat meer lucht te krijgen. Als uw benauwdheid snel verergert, is er misschien vocht in de longen gekomen ('vocht achter de longen', zegt men ook wel). Door de mond geeft de ademhaling dan het geluid van een net opengemaakte fles frisdrank.

 

Als de rechterkant van uw hart minder goed pompt, hoopt het vocht zich op in buik, benen en voeten. Bij vochtophoping in de buikholte krijgt u bijvoorbeeld een vol gevoel in uw buik, en uw kleren gaan strakker zitten.

Een combinatie van links en rechts hartfalen komt ook voor

 

Als het hart minder goed pompt komt het lichaam dus zuurstofrijk bloed te kort. Door dit tekort voelt u dat uw spierkracht minder is dan vroeger. Ook spieren hebben zuurstof nodig. U zult sneller moe worden bij inspanningen als bijvoorbeeld (trap)lopen of boodschappen doen. Een ander typerend verschijnsel van hartfalen is dat u er 's nachts vaker uit moet om te plassen, of dat u het benauwd krijgt als u voorover buigt of bukt.

De meest voorkomende klachten van mensen met hartfalen zijn :

 

-          Vermoeidheid

-          Kortademigheid

-          Opgezette benen en enkels

-          Een vol gevoel in de bovenbuik, een opgezette buik

-          Zwaarder worden terwijl u niet meer dan normaal eet

-          Vaker moeten plassen 's nachts met soms weinig urine-productie overdag

-          Prikkelhoest, vooral bij platliggen

-          Verminderde eetlust

-          Slapeloosheid of onrustige slaap, duizeligheid

-          Koude handen en voeten

 

Wat zijn de oorzaken van hartfalen?

De verminderde pompfunctie van het hart kan verschillende oorzaken hebben. De arts kan door middel van een aanvullend onderzoek de oorzaak van het hartfalen opsporen. De belangrijkste oorzaken zijn :

 

Een of meer eerdere hartinfarcten

Tachtig procent van het hartfalen ontstaat direct, of pas na verloop van jaren, na één of meer doorgemaakte hartinfarcten. De hartspier raakt tijdens een hartinfarct beschadigd en verliest op die plaats zijn pompkracht. Hierdoor vermindert de pompkracht van het hart als geheel.

 

Hoge bloeddruk

Hoge bloeddruk veroorzaakt hartfalen omdat het hart steeds tegen een te hoge weerstand in moet pompen. Eerst wordt de hartspier dikker en vervolgens stijver, en daarmee verliest het hart aan pompkracht. Op oudere leeftijd verliezen hart- en bloedvaten toch al een deel van hun veerkracht. Dit versterkt het effect van hoge bloeddruk.

 

Niet goed functionerende hartkleppen

Als de hartkleppen vernauwd zijn of niet goed meer sluiten, moet het hart extra hard werken om voldoende bloed de kleppen te laten passeren. Het kan hier overbelast van raken.

 

Ritmestoornissen

Wanneer het hart door een ritmestoornis alsmaar te langzaam of te snel klopt, kan hartfalen ontstaan. Het gaat hier met name om een traag ritme door een blokkade in de prikkelgeleiding, of om een snel ritme door boezemfibrilleren.

 

Ziekte van de hartspier (cardiomyopathie)

 

Letterlijk betekent cardiomyopathie: hart (cardio) - spier (myo) - lijden of ziekte (pathie). Bij cardiomyopathie hebben de hartspiercellen een abnormale bouw en functie waardoor de wand van het hart te slap of te dik en stijf is. Meestal is dit het gevolg van erfelijke aanleg. Soms is er tegelijk een verstoord hartritme.

 

De verslapte hartwand komt het meest voor. Deze heet 'gedilateerd' (dilateren betekent: oprekken of wijder maken). De verwijde hartkamer heeft onvoldoende kracht om een goede hoeveelheid bloed uit te pompen. In het andere geval, als de wand van de hartkamer te dik en te stug is, kan het hart niet goed volstromen met bloed en daardoor minder goed pompen. Men spreekt dan van 'restrictieve cardiomyopathie' (restrictief betekent beperkt).

De ene vorm van cardiomyopathie kan overgaan in de andere. Zo kan bijvoorbeeld een verdikte spier later juist gaan verslappen.

 

Aangeboren Hartziekten

 

Aangeboren of congenitale hartafwijkingen zijn structurele afwijkingen van het hart en de grote vaten die reeds bij de geboorte aanwezig zijn. Jaarlijks worden er in Nederland zo'n 1400 kinderen met een aangeboren hartafwijking geboren. Soms wordt de afwijking pas op latere leeftijd ontdekt. De aandoeningen verschillen sterk in ernst. Sommige afwijkingen geven geen klachten of verdwijnen spontaan terwijl andere afwijkingen niet of nauwelijks met het leven verenigbaar zijn.

Ruw geschat zijn er 20.000 kinderen en jongeren tot 16 jaar en 20.000 tot 25.000 volwassenen met een aangeboren hartafwijking. Dat ruim 85% van de kinderen de volwassen leeftijd bereikt is mede toe te schrijven aan de succesvolle resultaten van de kinderhartchirurgie in Nederland. De Hartstichting zet zich in om de zorg aan kinderen en volwassenen met een aangeboren hartafwijking te verbeteren

 

Ontstaan van een aangeboren hartafwijking

 

Tijdens de groei en ontwikkeling van het hart van het ongeboren kind kan een en ander mis gaan. We spreken bij de geboorte dan van een aangeboren hartafwijking. Elk type afwijking heeft zijn eigen karakteristieke oorzaak. Artsen onderzoeken en behandelen elk type afwijking weer anders. Hierdoor is het niet mogelijk om één algemeen onderzoek en één algemene behandeling te geven. Als u meer wilt weten over onderzoek en behandeling van de afwijking van uw kind, kunt u een gratis brochure aanvragen. Natuurlijk kunt u altijd de arts uw specifieke vragen stellen over uw kind.

 

Voor de geboorte komt het zuurstofrijke bloed uit de navelstreng. Dit zuurstofrijke bloed komt binnen in de rechter harthelft. Een deel van het bloed stroomt via de longslagader naar de longen van het nog ongeboren kind. Een ander deel stroomt via een opening in het tussenschot van de rechter- naar de linkerboezem. Vanuit die linkerboezem wordt het bloed door de linkerkamer en de grote lichaamsslagader (aorta) het lichaam ingepompt. Door een verbinding tussen de longslagader en de aorta stroomt een gedeelte van het bloed ook direct de aorta en het lichaam in.

Na de geboorte ontplooien zich de longen en wordt de navelstreng doorgeknipt. Het zuurstofrijke bloed komt dus uit de longen. De verbinding tussen de boezems en de grote vaten sluiten zich.

 

Veel voor komende aangeboren hartafwijkingen zijn :

 

-          Afwijkingen van de aortaklep

-          Atriumseptum-defect (ASD)

-          Hypoplastisch Linkerhartsyndroom

-          Tetralogie van Fallot

-          Transpositie van de grote vaten

-          Ventrikelseptumdefect (VSD)

 

Afwijkingen van de aortaklep

 

Algemeen

Bij een paar procent van de bevolking is de klep afwijkend aangelegd, en bestaat niet uit drie maar uit twee dunne klepslipjes. Dit heet bicuspide aortaklep (bi = twee, cusp = klepslip). Dit kan gepaard gaan met belemmering van de bloedstroom (vernauwing) of met lekkage. Het komt echter vaak voor dat zo'n bicuspide aortaklep normaal functioneert. Achtereenvolgens worden twee afwijkingen van de aortaklep besproken :

 

-          de tweeslippige klep; de klep heeft niet drie klepslipjes maar twee

-          de vernauwde klep; de klepslipjes zijn verdikt en gedeeltelijk vergroeid

-          aortakleplekkage; de klepslipjes sluiten niet goed waardoor een deel van het uitgepompte bloed terug het hart instroomt.

 

Tweeslippige klep

 

De tweeslippige klep hoeft geen problemen te geven, maar het blijft wel een zwakke plek. Er is een verhoogde kans dat in de loop van het leven de klep problemen gaat geven, hetzij vernauwing, hetzij lekkage, die op latere leeftijd aanleiding geven tot operatie. Die problemen ontstaan soms op de kinderleeftijd, maar vaker ontstaan ze op latere leeftijd.

 

Vernauwing van de aortaklep

De schoolarts of de consultatiebureau-arts hoort vaak als eerste een hartruis. Pas wanneer de vernauwing heel ernstig is, schiet de kamer tekort. Soms is bij pasgeborenen de vernauwing van de aorta zo ernstig dat het lichaam onvoldoende doorbloed wordt. Er moet dan met spoed ingegrepen worden. Tekort schieten van de kamer gebeurt het eerst wanneer er extra arbeid van het hart gevraagd wordt, zoals bij inspanning.

 

Klachten

Er zijn meestal helemaal geen klachten. De klachten kunnen zich uiten door snel vermoeid raken, een drukkend gevoel op de borst en duizeligheid of kortademigheid. Meestal klagen de kinderen niet over pijn. Het is meer een gevoel of er een strakke riem om zit, of zoals één kind zei: alsof er een olifant op mijn borst zit. Het drukkende gevoel op de borst is te vergelijken met dat wat volwassenen voelen bij vernauwde kransslagaders. De hartspier zelf krijgt dan bij inspanning te weinig bloed. Bij aortaklepstenose is de vraag van het hart zelf naar bloed zo groot, dat zelfs normale kransslagaders die hoeveelheid niet kunnen leveren. Wanneer een kind een dergelijke pijn voelt, moet het stoppen met de inspannende activiteit. De pijn zakt meestal in een paar minuten weer. Overleg in dat geval altijd met de kindercardioloog. Een klacht is ook flauwvallen bij inspanning. Flauwvallen bij inspanning is altijd reden om direct met de kindercardioloog te overleggen en geen extra inspanningen meer te doen.

 

Aortakleplekkage [-insufficiëntie]

Lekkage van de aortaklep is vaak het gevolg van eerdere ingrepen die aan de aortaklep verricht zijn. In zeldzame gevallen is aortakleplekkage een op zichzelf staande aangeboren hartafwijking. De medische term voor lekkage is insufficiëntie.

Wanneer de aortaklep lek is, kan een deel van het bloed terugstromen. Dit is als een hartruis hoorbaar. Bij de volgende hartslag moet het teruggelekte bloed opnieuw worden weggepompt. Dat betekent dubbel werk voor de kamer, die per slag de normale hoeveelheid plus de teruggelekte hoeveelheid moet verwerken. De kamer doet dat door een deel van zijn reservecapaciteit aan te spreken. Vaak wordt de kamer wijder om de extra hoeveelheid bloed aan te kunnen.

 

Klachten

De klachten van aortakleplekkage treden pas op bij forse lekkage en dan vooral bij inspanning. Kinderen zijn eerder moe en kortademig en zweten vaak ook sneller bij inspanning

 

Atriumseptum-defect [ASD]

 

Algemeen

Bij alle kinderen is er voor de geboorte een opening in het tussenschot tussen beide boezems. Deze opening is een natuurlijke verbinding en is nodig omdat de baby voor de geboorte niet zelf ademt Het heeft een ovale vorm waardoor de opening het foramen ovale (het ovale venster) wordt genoemd. Voor de opening zit een klepje, dat na de geboorte sluit. Het groeit in de loop van een paar maanden vast.

 

Bij sommige kinderen en volwassenen is de opening groter dan nodig is. Dan is het klepje te klein om na de geboorte de opening af te sluiten. In dat geval spreken we van een atriumseptumdefect (atrium = boezem, septum = tussenschot, defect = ontbrekend deel). Meestal wordt de afkorting ASD gebruikt. Een defect in het centrale deel van het boezemtussenschot wordt ook wel aangegeven met een Romeinse 2. Men spreekt van een ASD-II.

 

Klachten

Over het algemeen zijn de kinderen klachtenvrij, soms zelfs tientallen jaren lang. Op de lange duur, krijgen rechterboezem en -kamer toch moeilijkheden met het continue overwerk. Gevolg hiervan is vervroegde slijtage van het hart, dat zich uit in verminderd inspanningsvermogen. Zodoende kunnen mensen pas op oudere leeftijd klachten krijgen. Ze worden sneller kortademig en hebben meer kans op ritmestoornissen.

Om te voorkomen dat het hart op latere leeftijd problemen gaat geven, moeten de grote gaatjes op kinderleeftijd, meestal voor het vierde tot zesde jaar, dichtgemaakt worden.

 

Hypoplastisch Linkerhartsyndroom

 

Algemeen

Bij kinderen met een hypoplastisch linkerhartsyndroom zijn de linkerhelft van het hart (met name de linkerkamer, maar ook de linkerboezem) en de grote lichaamsslagader (aorta), sterk achtergebleven in ontwikkeling.

 

Klachten

Wanneer de kinderen net geboren zijn, hebben ze opvallend weinig verschijnselen. Het is heel gewoon dat de eerste dagen niemand in de gaten heeft dat uw kindje een hartafwijking heeft. Voor de geboorte is er een verbinding tussen de longslagader en de aorta (ductus Botalli). Hierdoor krijgt het lichaam van het kind genoeg zuurstof. Een paar dagen na de geboorte sluit de ductus gewoonlijk. Wanneer dat gebeurt, krijgt het lichaam onvoldoende bloed.

Dit geeft klachten van bleekheid of blauw zien, moeheid, slechter drinken en algemeen 'niet lekker' zijn.

 

Omdat de operatie nog niet zo lang bestaat, overleden tien jaar geleden alle kinderen met deze hartafwijking. Nu kan er wel wat aan de hartafwijking gedaan worden. Tijdens en na de operaties kunnen er complicaties ontstaan. Zo bestaat er een reële kans op een hersenbeschadiging omdat de bloedsomloop soms slecht is. Daarbij zullen niet alle kinderen de operatie overleven.

 

Als de operaties goed verlopen, kunnen op de lange termijn nog steeds problemen ontstaan zoals achteruitgang van de hartfunctie, bloedstolselvorming en ritmestoornissen. Verder zijn en blijven kinderen met het hypoplastisch linkerhartsyndroom kwetsbaarder en zullen altijd op moeten blijven letten voor infecties. Het is dan ook verstandig om deze kinderen jaarlijks de griepprik te geven.

 

Wel of niet laten opereren is een moeilijke beslissing die binnen een paar weken genomen moet worden. Overleg met de kindercardioloog en de kinderhartchirurg kan u helpen bij het maken van een zo ingrijpende beslissing.

 

Tetralogie van Fallot

 

Algemeen

Toen de arts Fallot de naar hem genoemde hartafwijking voor het eerst beschreef, dacht hij dat deze patiënten vier hartproblemen tegelijkertijd hadden. Vandaar dat de hartafwijking 'Tetralogie' (tetra is Grieks voor 4) wordt genoemd.

Bij de Tetralogie komt het tussenschot tussen de slagaders niet goed in het midden terecht: de aorta is te groot en de longslagader te klein. Door de scheefstand ontmoeten de tussenschotten elkaar niet en kunnen dus niet vastgroeien. De gevolgen daarvan zijn :

 

-          de aorta staat scheef boven het tussenschot.

-          er blijft een gat in het schot tussen de kamers.

-          de longslagader is te klein en de uitstroom van de rechterkamer vernauwd.

-          doordat de rechterkamer harder moet persen om het bloed in de longslagader te krijgen, krijgt deze na verloop van tijd een dikkere spierwand.

 

Deze vier onderdelen van de hartafwijking staan nog steeds bekend onder de naam Tetralogie van Fallot.

 

Klachten

De klachten bij kinderen met een tetralogie van Fallot variëren van heel weinig tot heel ernstig. De klachten van deze aangeboren afwijking hangen dus erg af van de ernst van de afwijking. Door bijvoorbeeld een matige vernauwing van de longslagader gaat er te weinig bloed naar de longen. Hierdoor heeft het bloed een blauwige kleur. Dit 'blauwe' bloed verraadt zich doordat het kind dan een blauwpaarse verkleuring krijgt van met name de lippen, de nagels en de tong.

Als de vernauwing van de longslagader ernstig is, waardoor de longslagader (bijna) dicht zit, zijn de kinderen heel blauw en hebben niet voldoende zuurstof om normaal te kunnen functioneren.

Voor het herstellen van de problemen bij de Tetralogie van Fallot is een operatie nodig. In principe wordt de operatie rond de eerste verjaardag uitgevoerd.

Kinderen met tetralogie van Fallot zullen hun hele leven onder controle moeten blijven van de (kinder)cardioloog.

 

Transpositie van de grote vaten

 

Algemeen

Transpositie van de grote vaten (in medische taal 'arteriën' = slagaders), of kortweg transpositie, is een aangeboren hartafwijking waarbij de aansluiting van de grote vaten verkeerd is gegaan. De aansluiting van de longslagader en de lichaamsslagader (aorta) is omgewisseld. De longslagader komt uit de linkerkamer in plaats van uit de rechterkamer en de aorta komt uit de rechterkamer in plaats van uit de linkerkamer.

 

Klachten

De baby krijgt een blauwe kleur, meestal zichtbaar aan handen, voeten en rondom de mond. Deze verkleuring maakt dat men al snel denkt aan een hartafwijking.

Maar omdat aan het hart meestal geen geruis is te horen, denkt men nogal eens dat er geen hartafwijking is. Kinderen met transpositie van de grote vaten moeten geopereerd worden om de situatie te herstellen. Voordat het kind geopereerd wordt, moet het eerst in een zo goed mogelijke conditie zijn. Na de operatie zullen deze kinderen hun hele leven onder controle van de (kinder)cardioloog blijven.

 

Ventrikelseptumdefect [VSD]

 

Algemeen

Het Ventrikelseptumdefect, of afgekort VSD, is een aangeboren hartafwijking. In de volksmond spreekt men over een gaatje in het hart. Het woord ventrikel is het Latijnse woord voor kamer, septum voor tussenschot en defect wordt in het medisch taalgebruik aangewend voor een ontbrekend stuk of gat. Een VSD is dus een gat in het tussenschot dat de twee hartkamers scheidt.

 

Klachten

Of uw kind last krijgt van het gaatje in het hart is afhankelijk van de grootte. Veel gaatjes in het hart zijn maar klein, maximaal enkele millimeters groot. De hoeveelheid bloed die door het gaatje wordt geperst is dan ook klein. Het hart en de longen merken het extra werk niet eens. Het kind is in dat geval vrij van klachten. Wel is bij hem of haar de hartruis hoorbaar; deze is bij kleine gaatjes vaak opvallend luid. Wanneer de ruis niet wordt opgemerkt, zijn er klachten als snelle ademhaling, snel vermoeid zijn, slecht drinken of overmatig zweten. Mede afhankelijk van de plaats, gaan deze gaatjes vaak vanzelf dicht.

 

Wanneer het gat in het hart groot is, stroomt er weinig zuurstofrijk bloed het lichaam in, soms minder dan de helft van al het bloed wat in de kamer zit. Hierdoor is de reservecapaciteit gering. Als het kind actief wordt, zoals bij het drinken van de fles, gaat de hartslag en ademhaling sterk omhoog. Uw kind kan de fles niet meer in één keer leeg krijgen.

Omdat het lichaam niet genoeg bloed krijgt, stuurt het signalen naar het hart om harder te werken. Ook gaat het lichaam compenseren voor te weinig bloed door bijvoorbeeld minder vocht uit te scheiden. Al die compensatiemechanismen zorgen ervoor dat het kind in een redelijke conditie blijft, echter ten koste van een enorm energieverbruik. Aan de ene kant verbruikt het lichaam dus veel energie en aan de andere kant kost het uw kind juist moeite om zijn fles leeg te krijgen. Hierdoor is er minder energie over om te groeien waardoor de groei stagneert.

 

Bron: Nederlandse Hartstichting